Privé investeren of via uw vennootschap: wat is de beste keuze in 2026?

De essentie in 30 seconden

    • Sinds 2026 geldt een belasting van 10% op particuliere meerwaarden op financiële activa, met een jaarlijkse vrijstelling van € 10.000 (oplopend tot € 15.000 over een periode van 5 jaar).
    • Investeren via uw vennootschap laat u toe om bruto winsten te kapitaliseren, maar het later overhevelen van dat kapitaal naar privé brengt kosten met zich mee.
    • De juiste keuze hangt af van uw beleggingshorizon en uw behoefte aan privéliquiditeiten.
    • Tijdens ons webinar van 27 oktober 2026 bespreken we hoe u geld fiscaal optimaal uit uw vennootschap haalt.

U beschikt over gelden die u wenst te beleggen en twijfelt of u deze het best privé of via uw vennootschap investeert. Sinds 2026 heeft de hervorming van de belasting op meerwaarden een deel van de spelregels gewijzigd.

Investeren in eigen naam

Wanneer u privé investeert, behoudt u rechtstreeks toegang tot uw vermogen. U betaalt wel roerende voorheffing (30% op dividenden en intresten) en de nieuwe belasting van 10% op meerwaarden van aandelen, fondsen, ETF’s, cryptomunten en goud, maar u behoudt volledige vrijheid over het gebruik van uw middelen. Dit zorgt ervoor dat u, los van de rendementen uw kapitaal op korte termijn beschikbaar kan houden.

Investeren via uw vennootschap

Via uw vennootschap investeert u winsten vóór de personenbelasting en sociale bijdragen. Dat vormt een belangrijke hefboom om vermogen op lange termijn op te bouwen.

Waarmee moet u rekening houden?

  • Vennootschapsbelasting van 25%, of 20% onder bepaalde voorwaarden, op inkomsten en meerwaarden.
  • Elke uitkering van geld naar privé heeft een fiscale kost: via een bezoldiging (personenbelasting en sociale bijdragen), een dividend (30% roerende voorheffing of 18% onder het VVPRbis-stelsel), of een liquidatiereserve (10% bij aanleg, 6,5 % bij uitkering voor reserves die tot en met 30 december 2025 zijn gevormd en 9,8 % voor reserves die vanaf 31 december 2025 zijn gevormd.)
  • Een holdingstructuur kan toelaten om dividenden tussen vennootschappen tegen een beperkte fiscale kost door te storten en vervolgens het geschikte moment te kiezen om deze privé uit te keren.

Deze optie is vooral interessant voor bedrijfsleiders die hun beschikbare middelen niet op korte termijn nodig hebben.

Hoe maakt u de juiste keuze

Elke situatie is anders. Houd vóór u een beslissing neemt rekening met de volgende elementen:

  • Uw beleggingshorizon: hoe langer deze is, hoe interessanter investeren via een vennootschap wordt.
  • Uw huidige marginale aanslagvoet in de personenbelasting.
  • Uw vermogens- en successieplanning, die afhankelijk van de gekozen structuur op verschillende manieren wordt georganiseerd.
  • Het te investeren bedrag: de kosten van een vennootschap zijn pas verantwoord vanaf een bepaald investeringsvolume.

Onze adviseurs bekijken graag samen met u welke oplossing het best aansluit bij uw doelstellingen en hoe u uw vermogen optimaal kunt laten groeien.

We gaan hier dieper op in tijdens ons volgende webinar

Hoe haalt u optimaal geld uit uw vennootschap?

Schrijf u in voor ons webinar op 27 oktober 2026, volledig gewijd aan dit onderwerp.

Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen over dit onderwerp

Is de belasting op meerwaarden ook van toepassing op vennootschappen?

Nee. Meerwaarden binnen een vennootschap vallen onder de vennootschapsbelasting en volgen andere fiscale regels.

Kan ik de belasting van 10% vermijden door via mijn vennootschap te investeren?

Niet volledig. Bij een klassiek fonds of ETF betaalt de vennootschap immers 25% (of 20%) vennootschapsbelasting op de meerwaarde - meer dan de 10% bij particuliere beleggers, dus vanuit fiscaal oogpunt levert dit geen voordeel op. Bij een DBI-fonds is de meerwaarde in principe vrijgesteld, al geldt sinds 2026 een afzonderlijke heffing van 5%, wat nog steeds een gunstiger tarief is. Let echter op: deze fondsen beleggen voor 100% in aandelen en zijn dus volatieler, vooral op korte termijn, en de hogere lopende kosten doen het fiscale voordeel vaak teniet. Bovendien blijft een latere uitkering naar privé een tweede belastingheffing.